
Bram Stoof en Chris Keulemans
tijdens de opening van Brams
eerste expositie in de boekhandel van Chris, De Verloren Tijd.
1986.

|
De schilder leidt me
rond. Zijn werk hangt in de lange, lichte gangen en in het trappenhuis
van zijn fraaie pand aan het Eikenplein. Hij gaat me voor, in het
grijs gekleed, en geeft met sonore stem een spaarzaam commentaar,
tot de essentie van zijn werkwijze beperkt. Zijn naam is Bram Stoof.
Ik ken hem nu vierentwintig jaar. Hij is schilder en tekenaar van
een oeuvre dat zich gestaag, in alle rust, vernieuwt en vooral:
verdiept. De stillevens en portretten die hij de afgelopen jaren
heeft gemaakt laten het zien. In rijke kleuren geschilderd, met
een diep respect voor de materie, een voelbare, zinnelijke liefde
waarmee elk werk doordrenkt is. Al zolang
ik je ken schilder je die heel precieze, geposeerde portretten.
Waar is het je om te doen, de mensen of het lichaam?
De scheiding tussen lichaam en ziel vind ik iets kunstmatigs. Door
hun houding, oogopslag, kledingkeuze maken mensen iets over hun
wezen duidelijk. Mijn modellen kies ik puur op gevoel. Op een vorm
van schoonheid. Je moet tenslotte schilderen wat je mooi vindt.
Cora met de Spaanse jurk bij voorbeeld, die ik in een modeltekenatelier
ontmoette. Of deze, de buikdanseres. Toen ze voor mij kwam poseren
was het voor haar geen vrolijke periode, dat kan je ook wel zien.
Ze draagt een uitbundig kostuum, maar in gedachten is ze ergens
anders. Een sombere danseres is het. Die stemming geef ik weer.
In een stilleven leg je meer je eigen gevoel, bij de confrontatie
met een mens is het wederspraak. Ik leg mijn eigen verbeelding niet
aan ze op. Daarvoor heb ik teveel respect voor mijn modellen.
Je bent altijd geïnteresseerd geweest in mensen. Maar
gaandeweg hebben de realistische portretten ook een bijna abstracte
kwaliteit gekregen. De jurk van Cora, het bonte kleed waarop de
naakte Hadas ligt.
Dat is een schildersontwikkeling. Oorspronkelijk ging het me erom
de waarneming zo precies mogelijk weer te geven. Maar ik ben me
steeds meer gaan richten op abstracte kwaliteiten: compositie,
materiaalgebruik, kleur. Een schilderij kan ook goed zijn als
de directe gelijkenis er niet is. Het hoeft niet per se in díe
zin waar te zijn. Het gaat erom dat het schilderij deugt, niet
als documentatie, maar dat het waar is op een ander niveau.
Hoe zoek je de waarheid in een schilderij?
Neem deze Franse bomen. Ik schilderde ze twee jaar geleden, in
Les Landes. Eikenbomen, die in een onbarmhartig klimaat tegen
de verdrukking in gegroeid zijn. Blikseminslagen, kou, warmte,
zoute wind, het geeft die bomen een dramatiek. Het drama dat in
die bomen wilde ik naar voren halen. Door materiaalhantering,
kleurkeuze, compositie. Ik koos een uitsnede waarin je maar een
fragment van die bomen ziet. Dat doe ik niet met een zoekertje
of zo, dat zie ik. Dat voel je met je sodemieter. Het is geen
landschap, maar een portret van die boom. Het abstracte gaat meespelen.
De boom beweegt, er zit een werveling in de takken. Ik zoek de
waarheid van die bomen zonder hem te beredeneren. Ik werk heel
animaal. Deze is heel licht geschilderd, de onderschildering is
hier en daar nog zichtbaar. Daardoor zit er ook in het blauw van
de lucht een hoop beweging. Dat schilferachtige, dat harde van
de bast, open stukken , dat geeft iets aan van hoe die boom in
de wind staat.
In je stillevens valt het drama niet meteen op. Integendeel.
Je maakt een hele serie klassieke stillevens met gemberpotten.
Waarom?
Ergens in de jaren tachtig ben ik ze gaan verzamelen. Gemberpotjes,
het meest truttige wat er was. Ik deed dat uit tegendraadsheid.
Ik ben altijd volstrekt a-modieus geweest, anti-hip. Ik had last
van de dictaten die er rondgingen. Je moest per se abstract schilderen,
of je mocht zelfs helemaal niet meer schilderen - en als je dat
toch deed, was je een mislukt kunstenaar. Van de weeromstuit dacht:
dan maar een mislukt kunstenaar, maar wel een hele goeie. Veel
van mijn invloeden liggen in de Nederlandse schilderskunst van
de tweede helft negentiende eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog.
Schilders als Jan Sluijters, Kees Verwey, Breitner, Israëls,
de Haagse School. Daar voeg ik mijn eigen persoonlijkheid aan
toe. Wat daar de gestalte van is kan iemand anders beter beoordelen.
Die persoonlijkheid is iets waar je zelf tenslotte steeds naar
op zoek bent. Als je er midden in staat overzie je een landschap
niet. Op een bergtop kan dat wel. Mijn toevoeging is Bram Stoof.
In de negentiende eeuw leefden ze nog niet in een wereld
van ironie, van citaten, van commentaar op eerder gemaakte beelden.
Jouw werk is een verweer tegen de ironie.
Klopt. Ik ben niet aan het spotten. Wel aan het reageren. Die
gemberpotten: Breitner en Verster schilderden ze ook. Het mag
gedateerd zijn, er zitten fantastisch veel mooie kleuren in het
glas van zo'n potje verborgen. Door de kunstgeschiedenis is het
in de vuilnisbak gegooid en ik haal het er weer uit. Soms ook
letterlijk. Die rommel is te mooi om weg te gooien. Zoals ik me
ook niet los wil maken van de traditie van die schilders.
Uit een andere traditie komen de wajangpoppen. Hier liggen er
twee, het gezicht van elkaar afgewend, bovenin een doek dat verder
bijna leeg is, op een gemberpot en een gitaartje na.
In mijn atelier heb ik vrij veel Indonesische zaken, daar ben
ik een stilleven mee gaan componeren. Ik heb Indonesië een
keer bezocht en was meteen verliefd, op het land, de mensen, de
natuur. Daar zijn die wajangpoppen natuurlijk een icoon van, dat
weet onze generatie van kinds af aan. Kwam je vroeger een huiskamer
binnen, dan lag daar vaak zo'n wajangpop of een kris. Het zijn
kunstvoorwerpen, die poppen, waar een hele geestelijke wereld
in schuilgaat. Ik heb daar groot respect voor. Maar het ding zelf
spreekt natuurlijk ook mijn schildershart aan: de glans, de goudkleuren,
de glitteringen. Hier liggen die poppen erbij als een stel dat
aan het scheiden is. Ze hebben iets van het weggeworpene. Het
aan de kant gelegde. Net als die gemberpotten. Dingen waar men
achteloos aan voorbijgaat, en die toch eigenlijk zo mooi zijn.
Dat probeer ik ook in een schilderij te laten zien, dat het mooi
is, dat je er zorgvuldig mee om moet gaan.
Zoals bij deze twee: diepe, aan het abstracte rakende, bijna
mystieke schilderijen… van een potje geraniums.
Ook weer een heel lullig onderwerp. Maar ingewikkeld om te schilderen.
Het blauw in die pot was een enorme klus, al hoop ik niet dat
je dat ziet. Die emailleglans bereik je pas door laag over laag,
nat in nat te schilderen. En er zit een gevaarlijke balans in
het doek, met die rare bloem daar rechtsboven en het gevallen
blaadje onderaan. Ik denk daar niet over na, die symboliek, het
gaat niet beredeneerd. Meestal zie ik het pas als het doek af
is. Er zit trouwens in dit geval wel een verhaal achter, over
Anton Assies. Een bijzondere man, met een modelatelier in de Jordaan
waar ik graag heenging. Als schilder te onrustig om zich ergens
in vast te bijten, maar als mens inspireerde hij me. Hij gaf me
de stekjes die je hier geschilderd ziet. Hij heeft zichzelf van
het leven beroofd, en daarmee zijn de geraniums monumenten voor
Anton geworden. En daar horen die gevallen blaadjes bij. Zulke
dingen haal ik niet weg. Ze horen erbij. Dat hoort allemaal bij
de vluchtigheid, dingen waar je gewoon langsloopt, die je in het
voorbijgaan opmerkt, uit je ooghoek.
Wonderlijk: dat oog voor het verwaarloosde, dat je vervolgens
heel intensief en nauwkeurig een plaats geeft.
Dat zie ik ook als mijn taak. Ik heb respect voor die dingen.
Hetzelfde geldt voor de mensen. Hier, op het grote zelfportret
in het trappenhuis, zie je de schilder met zijn model. Zij kijkt
half onze kant op, waardoor ze een terloopsheid krijgt. Achter
haar staat de schilder bij een doek dat nog wit is. Hij heeft
nog geen verf op zijn palet aangebracht. De schilder kijkt bijna
verstoord op, alsof er iemand binnenkomt die weg moet. Dat zijn
wij dus, de kijkers. Hij staat zelf half in de schaduw. Bijna
alsof hij er niet is. Je zou hem zo voorbij kunnen lopen. De schilder
als gemberpot.
Chris Keulemans
augustus 2003
Chris Keulemans (1960) is schrijver/journalist
en voormalig directeur van de Balie. Artikelen van zijn hand verschenen
onder meer in de Volkskrant en Vrij Nederland. November 2004 verscheen
bij uitgeverij Augustus zijn vierde boek, de roman De Amerikaan
die ik nooit geweest ben (www.deamerikaan.nl).
Eerder verschenen Overal om me heen is ruimte (Van Gennep,
1992), Een korte wandeling door de heuvels (Van Gennep,
1994) en Van de zomer naar de werkelijkheid (Uitgeverij
De Balie, 1997).
|