Dat het niet slechts is wat
men ziet maar wat in het zichtbare verscholen ligt, is een
overtuiging die Stoof staalde in het landschap. De gevolgtrekking
dat fotografie voor hem een onbruikbaar middel is was snel gemaakt.
De natuur is groots en grillig, weelderig en hard. Een landschapschilder
wordt opgenomen in zijn onderwerp en moet zich, ook fysiek buigen
voor de wetten die het stelt. Het licht verglijdt sneller dan
het penseel noteren kan, een rukwind trekt de ezel om, de hitte
doet het zweet in de ogen branden. Dit alles is te verduren.
Het hoort erbij. Wat het ons vertelt, is dat bij de landschapsschilderkunst
alle zintuigen een rol spelen. En alle zijn belangrijk voor
de vorming van diep begrip. Een weergave die door de naakte
buitenkant heendringt. |