Welkom Portretten Landschappen Stillevens Figuren en Portretten Tekeningen en Aquarellen Cursus schilderen en tekenen Agenda Publicaties Aanbevolen websites


 






Inleiding

Bram Stoof

                                                                                       

 

Bram Stoof (Enkhuizen 1959) is een figuratief schilder die de waarneming als fundamenteel uitgangspunt voor zijn werk neemt. Een direct contact met zijn onderwerp is voor hem zeer belangrijk, het gebruik van foto's is daarom iets wat hij het liefst vermijdt. De werkelijkheid zoals die door de schilder wordt waargenomen en verwoord, verschilt van het beeld dat de camera geeft. Hoe nauwgezet Stoof ook kan werken, hij blijft schilderijen maken. Verf blijft verf.
Het materiaal krijgt veel aandacht. Wat een schilderij vertelt ligt vaak grotendeels geborgen in de wijze waarop het geschilderd is. Het onderwerp is in veel gevallen eerder aanleiding dan oorzaak voor een werk.
De onderwerpen die Bram Stoof zijn eigen aan de klassieke traditie waar hij zijn aansluiting bij gevonden heeft. Hij hanteert het stilleven, het landschap en de menselijke figuur als thema's. Het portret in opdracht speelt daarbij een steeds voornamere rol.
Bram Stoof werkt graag met olieverf, aquarel en potlood. Voor hem gaat van elk van deze technieken een eigen, specifieke bekoring uit. De potloodtekening charmeert door zijn nabijheid van de tekenende hand, het aquarel door zijn stralende directheid, de olieverf door zijn ernstige, bezonken gelaagdheid.
Naast zijn werk als kunstschilder geeft Bram Stoof ook, en met plezier, les. Ook maakt hij met genoegen illustraties en cartoons. Als grafisch vormgever werkte hij voor diverse tijdschriften en maakte hij ontwerpen voor boeken, cd-hoesjes en websites.
Tijdens zijn studie aan de CABK, tegenwoordig ArtEZ te Zwolle, speelde vooral de leraar modeltekenen Jaap Nieuwenhuis een rol. Wat het schilderen met olieverf aangaat is Bram Stoof autodidact.
De woning en de werkplaats van Bram Stoof bevinden zich beiden in Amsterdam.

 


DE STERVENDE BLOEM

uit: Mikrokosmos - Friedrich Rückert

Hoop maar! Je beleeft het nog,
Dat de lente wederkomt.
Hopen alle boomen toch,
Die de herfstwind heeft gekromd,
Hopen heel den winter lang
Met de stille kracht der knoppen,
Tot hun sap in nieuwen drang
't Nieuwen groen doet botten.

"Ach, ik ben geen sterke boom,
Die wel duizend winters leeft,
Die in eigen winterdroom
Droomend lentezangen weeft.
'k Ben de bloem - wat anders dan?
Door den kus van Mei gewekt,
Wie wat van haar vinden kan,
Als het witte graf haar dekt?

Wanneer je de bloem dan bent,
In je hartje zoo bescheiden,
Troost je! Zaad krijgt tot geschenk
Al wat zich in bloei verblijdde.
Storm des doods, ach laat hem toch
Al je levensstof verstrooien,
Waaruit honderd maal je nog
Nieuw je zult ontplooien.


OVER DE DODE BLOEMEN

Nadat ik twee schilderijtjes naar de Verwelkte Amaryllis had gemaakt, meende ik daarmee mijn serie rond het gegeven van de dode bloem te hebben voltooid. Dit is inmiddels een vergissing gebleken. Er zijn intussen weer nieuwe doeken aan mijn Dode Bloemen reeks toegevoegd. Wel zie ik in deze kleine werken een eindpunt waar het een facet van mijn zoektocht aangaat. De bloemen zijn hier teruggebracht tot het essentiële van een schriftteken. Hierin zie ik een evenwicht bereikt dat ik wilde vinden tussen inhoud en vorm, alsook tussen de abstractie en het figuratieve. Nog steeds zijn de bloemen nauwkeurig en tot in détail getekend, maar het minutieuze lijkt te willen oplossen in de grote lijnen van de haast kalligrafisch ogende hoofdvorm.
In deze schilderijen reeks, waarmee ik in 2003 aanving, heb ik me bezig gehouden met een aantal, wat men noemt, 'formele' aspecten. Zo gesproken behandelt het werk op nadrukkelijke wijze het grafische, de lijn. In het onderwerp zag ik de mogelijkheid om toe te geven aan mijn liefde voor het tekenen. Alle schilderijen zijn vanuit een rechtstreekse tekening ontstaan, waarbij ik er steeds naar heb gestreefd deze oorspronkelijke opzet in het uiteindelijke beeld zichtbaar te houden. Ik zocht naar een vorm van transparantie in de verf, die zich goed zou verstaan met de half doorzichtige dorre blaadjes van mijn motief.
Een andere belangrijke vraag vormde de verstandhouding tussen het onderwerp en de achtergrond. Terwijl in ander werk mijn aandacht sterk uitgaat naar de plasticiteit, zoals die door het gebruik van lichte en donkere partijen wordt opgeroepen, zag ik hiervoor geen plaats bij de Dode Bloemen. Ik wilde geen schaduwwerking toe passen, om een aantasting van het grafische uitgangspunt te voorkomen. Hierdoor kwam de verbindende functie van de schaduw, als brug tussen voor- en achtergrond, te vervallen. Door middel van mijn kleurgebruik heb ik de noodzakelijke eenheid  op een andere wijze willen bewerkstelligen. Een groot kleurveld moest dienen om een nadruk te geven aan de fragiliteit en de kwetsbare verlatenheid van de verwelkte bloem. Uiteindelijk, in de tweede Verwelkte Amaryllis, verviel de noodzaak van een achtergrond. Deze is direct op de grondlaag van gesso geschilderd, waarbij ook de imprimatuur achterwege is gelaten.
De scheiding tussen vorm en inhoud is, wat mij betreft, bij de Dode Bloemen onmogelijk aan te brengen. Mijn keuze voor dit onderwerp en de hardnekkige fascinatie die me er aan kluisterde, zijn niet alleen gegrond op een geboeidheid door de schildertechnische onderzoeksmogelijkheden die het me verschafte. Er is een verwevenheid tussen de voorstelling en de wijze van voorstellen, die de mededeling, wat een schilderij steeds in zich draagt, haar klank en betekenis verleent. Ik meen dat in de verbeelding van het onderwerp de beleving ervan wordt kenbaar gemaakt.
Het thema van de dode bloem bezit een onmiskenbaar en krachtig symbolisch karakter. We zien het onherroepelijke afscheid van de bloei, drager van de hoop op nieuw leven. Nu zag ik mijzelf gesteld voor een mij zwaar vallend vaarwel, in het jaar dat ik de Dode Bloemen begon te schilderen. Mijn betrokkenheid bij een onderwerp dat verwelkte verwachtingen representeert, is dan ook vermoedelijk niet erg raadselachtig. Wel is het zo dat ik mijn Dode Bloemen nooit als troosteloos en van elke hoop verstoken heb kunnen zien. Waarover ik me, eerlijk gezegd, zo nu en dan verbaasde.
De Dode Bloemen vereisten een werkwijze die me een grote concentratie van me vergde. Zo hielpen ze me om de verwarring, die teweeg was gebracht door het afscheid in mijn persoonlijk leven, tegen te gaan. De aandacht die zij nodig hadden belette mij gedachten steeds daar heen te gaan waar zij niet welkom waren. Dit aspect van deze schilderijen maakt ze weliswaar niet pijnloos, maar in zekere zin wel verlossend. Voor de maker in ieder geval.
Zoals gezegd heb ik het werk aan de serie weer opgevat. Hiervoor ligt een onontkoombaar argument voor de hand. Er is geen leven zonder afscheid. Maar er is meer. Ik hou niet van het afscheid, wel van mijn onderwerp. De Dode Bloemen schilder ik met liefde. En ik hoop dat dit het leven in mijn Dode Bloemen zichtbaar maakt.

EEN WITTE VAAS EN EEN BLAUWE FLES

 

  info@bramstoof.nl | 06 40 347 345 | Amsterdam ©2010